Oud speler en trainer van Excelsior Thijs Libregts

Thijs Libregts (62) reisde als trainer de halve wereld af. Hij werkte in Griekenland, Nigeria en Oostenrijk, en in eigen land onder meer bij PSV en Feyenoord. Maar het begon allemaal bij Excelsior, waar hij op zestienjarige zijn debuut maakte in het eerste elftal. Zijn vader zat jaren in het bestuur, terwijl zijn moeder optrad als gastvrouw in de bestuurskamer. Excelsior zit Thijs Libregts dus in het bloed: ‘Ik volg altijd wat er met de club gebeurt en het doet me pijn als het slecht gaat.’

Terug op Woudestein, van nooit weggeweest eigenlijk. Nog steeds bezoekt Thijs Libregts als het even kan de thuiswedstrijden van Excelsior. Samen met zijn moeder, die met zijn vader Aad Libregts een lang verleden heeft bij de club. Aad Libregts was 35 jaar bestuurslid bij Excelsior en erelid. Hij overleed twee jaar geleden. Thijs Libregts groet hier en daar een bekende, wanneer we in het spelershome plaatsnemen voor het interview. Zoals Mario Meijer. ‘Thijs was mijn eerste trainer in de jeugd van Excelsior’, lacht Excelsiors verzorger.
‘Het is hier natuurlijk heel anders dan vroeger’, zegt Libregts, terwijl Rina een uitgebreide lunch neerzet voor de selectiespelers. ‘Wij moesten vroeger onze eigen boterhammen meenemen’, zegt hij. Het was allemaal anders. Er was toen een zeer hechte band tussen de leden van Excelsior. ‘De spelers van het eerste kenden die van het tiende of het twaalfde en andersom. In het weekend stonden zij ook bij elkaar langs de lijn te kijken. In Rotterdam stond Excelsior daar ook om bekend.’
De saamhorigheid was groot. Spelers stonden bij elkaar langs de lijn en de bestuurders van de club zaten gedurende een zeer lange periode op hun stoel. Vader Aad Libregts is hiervan een goed voorbeeld. ‘Dat zag je wel meer in die tijd, bij andere verenigingen ook’, vertelt zoon Thijs. ‘Henk Zon en mijn vader, dat was een bekend duo bij Excelsior. Mijn vader is in verschillende geledingen van de club actief geweest, als jeugdleider, secretaris en in de commissie betaald voetbal. Het was een normale zaak dat mijn vader in het weekend bij Excelsior was. En op maandagavond waren er vaak bestuursvergaderingen. Mijn moeder vond dat niet erg en ging op zondag altijd mee naar het voetballen.’
‘Ze was gastvrouw in de bestuurskamer. Ze ontving de tegenpartij en de scheidsrechter, en serveerde hapjes en drankjes. Ze heeft dat jaren gedaan. De band tussen de familie Libregts en Excelsior was dus heel sterk. De vereniging steunde ook heel erg op mensen als Henk Zon, mijn vader en later ook Jaap Bontenbal en Mart Borneman. De binding was puur emotioneel, want een zakelijke binding was er niet. Het kostte alleen maar tijd en vaak ook geld. Je deed het echt voor de club, ook mensen die geen bestuursfunctie hadden. Sommigen hielden de kleedkamers schoon, anderen verfden de tribune en zo had iedereen een bepaalde functie. Daar kreeg je dan een kop koffie voor en soms een broodje.’
‘Omdat mijn vader in het bestuur zat, ging ik eigenlijk automatisch mee naar Excelsior. Je moest destijds twaalf jaar oud zijn om lid te kunnen worden, maar desondanks kwam ik al regelmatig bij de club. Ik was altijd bij de thuiswedstrijden en ging op zaterdag bij de jeugd kijken. Ik had dus al een band met Excelsior toen ik twaalf werd en lid kon worden. Ik ben jarig in januari en kon dus pas halverwege het seizoen lid worden. Ik werd ingedeeld in C5. Op 1 februari 1953, tijdens de Watersnoodramp, kreeg ik mijn eerste aanschrijving dat ik mee mocht doen met C5. We speelden op het Sterrebos tegen SVV. Dat was mijn eerste wedstrijd voor Excelsior.’
Van C5 klom Thijs Libregts in zijn eerste half jaar bij Excelsior op naar C2. En toen zijn eerste echte seizoen aanving, verhuisde hij naar C1. Hij speelde vervolgens in B1 en A1. Met dit laatste elftal speelde hij onder meer twee keer mee tijdens het internationale jeugdtoernooi in Babenhausen. ‘In die tijd was je al heel gelukkig als je een toernooi in Leiden of Delft had. Daar keek je echt naar uit. In de A kregen we toen ineens een buitenlands toernooi, in het Duitse Babenhausen. Naar het buitenland gaan was het einde. Ik weet het nog goed. Vanwege school kon ik niet meteen mee en toen ben ik met de toenmalige leider en juniorensecretaris, Jaap Bontenbal, in zijn kevertje samen naar Duitsland gereden.’

Inmiddels was het ook trainer Bob Janse van het eerste elftal opgevallen dat in de jeugd van Excelsior een talentvolle speler rondliep. ‘Hij zag mij spelen in de A1 en ik mocht van hem af en toe met het eerste elftal meetrainen. Ik zal nooit vergeten dat ik, zestien jaar oud, mijn debuut maakte in het eerste elftal in de uitwedstrijd tegen Vitesse. Dat was de legendarische wedstrijd waarin Dick van den Polder een dubbele beenbreuk opliep. Het was een probeerseltje. Pas in het tweede jaar A speelde ik wat vaker met het eerste elftal en na dat seizoen ben ik definitief overgegaan naar de selectie.’
‘Als klein jongetje kwam ik in een elftal terecht waarin gelauwerde spelers liepen als Arie den Hertog, Heimen Lagerwaard, Lo Dörr, Lou Corpeleyn, Piet Slui, Dick van den Polder, Gerrie den Hartog en Nol Braams. Dat waren allemaal mannen van in de dertig. Ik kwam daar met mijn tasje de kleedkamer binnen en heel schuchter vragen: waar mag ik gaan zitten? Dan kwam Lo Dörr naar voren: neem deze haak maar. En dan ging ik daar zitten. ‘Ja meneer Dörr, nee meneer Dörr’. Dat was overigens een normale zaak hoor. Zo ging dat ook op school en thuis. Het waren mannen van in de dertig, ze waren een begrip.’
Gevraagd naar zijn inbreng in dat elftal, blijft Libregts bescheiden: ‘Ik was geen supertalent. Ik was een technisch vaardige speler, met een goed tactisch inzicht, niet te snel. Ik had wel gevoel voor het voetbalspel. Wat mijn ogen zagen, kon ik met mijn voeten uitvoeren. Ik was all round. Ik ben nog eens topscorer geweest in het befaamde 1-9-1 systeem. Dick van den Polder kan daar nog lyrisch over vertellen. We speelden met een keeper, negen man in de verdediging en ik als eenzame spits moest de doelpunten maken. En dat ging me goed af, want ik maakte er in dat seizoen vijftien.’
Hoewel het betaalde voetbal toen al bestond, begon Thijs Libregts in 1961 als amateur in het eerste elftal. ‘Omdat ik nog op de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Den Haag zat, zou al het geld dat ik verdiende naar de belasting zijn gegaan. Daarom was het beter als ik amateur bleef. In mijn laatste seizoen kreeg ik alsnog een contract. Er was wat belangstelling van andere clubs. En ook in 1961 was men al een beetje zakelijk. Dus als er een club kwam die mij wilde hebben, wilde Excelsior daar toch wel geld voor vangen. Mijn vader zat inderdaad in de commissie betaald voetbal bij Excelsior. Hij heeft zich daar echter niet mee bemoeid en de gesprekken met Feyenoord deed ik zelf.’
Libregts werd namelijk al snel benaderd door Feyenoord, dat hem van Excelsior wilde overnemen. ‘Zat ik aan tafel met Cor Kieboom en Guus Brox. Het ging destijds nog niet om zo veel geld, ik moest er gewoon bij blijven werken. Maar Excelsior kreeg wel 80.000 gulden voor mij, dat was wat. En spelen in die Kuip, met Feyenoord waar bijvoorbeeld Coen Moulijn liep… Een droom kwam uit. Bij Feyenoord moest ik vier keer in de week trainen, maar daarnaast moest ik er gewoon bij werken als gymnastiekleraar in Rotterdam. Op een bepaald moment kwam ik verder in dat werk en kreeg ik een baan als leraar in het voortgezet onderwijs. En weer later kreeg ik een baan aangeboden bij de Erasmus Universiteit en die heb ik aangegrepen. Dat was niet meer te combineren met voetballen bij Feyenoord. Daarom ben ik teruggegaan naar Excelsior. Ook dat was niet gemakkelijk, maar het voordeel was dat het tegen elkaar lag. Ik rende van Erasmus naar de training en andersom.’
Het was toen 1968 en Excelsior speelde in de tweede divisie. De club had net mislukte fusiebesprekingen achter de rug met Xerxes/DHC. Ondanks het mislukken van die plannen kwamen zes spelers van Xerxes/DHC naar Excelsior: Ed Blok, Wim Tetteroo, Thijs Kwakkernaat, Jan Kleingeld, Bep van der Heijden en Rob Jacobs. ‘Onder leiding van Bob Janse promoveerden we in twee jaar van de tweede naar de eredivisie.’ Hoe kwam het dat dit elftal zo succesvol was? ‘Excelsior heeft altijd een enorme binding gehad. Met elkaar en voor elkaar werken, en gewoon doen. Dat was het handelsmerk en de kracht van de vereniging. Dat elftal waarmee we toen twee keer promoveerden was echt een team, zowel binnen als buiten het veld. Ikzelf was terug op het oude nest gekomen en voelde me meteen weer helemaal thuis. Ik heb daar fantastische jaren gehad tot het einde van mijn loopbaan in 1972.’
Trainer Bob Janse paste volgens Thijs Libregts heel goed bij de vriendenploeg die tussen 1968 en 1970 omhoogklom van de tweede divisie naar de eredivisie. ‘Bob was ongecompliceerd, een man die dag en nacht met Excelsior bezig was. Hij was full time beschikbaar. Als Eddy van der Roer vanwege zijn werk alleen ’s middags kon trainen, kwam Bob speciaal voor hem naar Woudestein. Hij wist bovendien een goede sfeer te creëren. Bob paste echt perfect bij de club. Gewoon doen, dan doe je als gek genoeg, was zijn motto. Er was inderdaad weinig geld en de salarissen waren minimaal. We zeiden weleens gekscherend: we geven hier meer uit dan we verdienen.’

Trainer

Hoewel zijn carrière als voetballer na het seizoen 1971-1972 was afgelopen, bleef Thijs Libregts betrokken bij Excelsior. Hij was inmiddels bezig met zijn trainersdiploma’s en werkte als jeugdtrainer bij Excelsior. In 1973 werd Libregts assistent van hoofdtrainer Ben Peeters en trainde hij zelf het tweede elftal van Excelsior. Na het vertrek van Peeters in 1975 wilde Excelsior Thijs Libregts als nieuwe trainer hebben, maar die beschikte toen nog niet over de juiste papieren. De oplossing werd gevonden in de aanstelling van Bob Janse, die de ploeg samen met Libregts zou leiden.
Het werkte niet. Vanaf het begin af aan verliep de samenwerking stroef. ‘Twee kapiteins op een schip kan niet’, kijkt Libregts jaren later terug op deze samenwerking, die uiteindelijk leidde tot de degradatie van Excelsior uit de eredivisie. ‘In mijn eerste jaar wilde ik het te goed doen en bovendien werkte dat gedoe met Bob door op het elftal. Desondanks heb ik heel veel van Bob opgestoken. Ondanks dat we degradeerden, hield Henk Zon alle vertrouwen in mij. Zon was een fijne man, recht door zee. Als hij ‘nee’ zei, dan was het ook ‘nee’, omdat iets dan gewoon echt niet kon. Eind jaren zeventig heeft hij al eens tegen me gezegd: jij wordt nog eens trainer van het Nederlands elftal. De start van mijn trainerscarrière was rottig, maar aan de andere kant heb ik altijd meer geleerd van fouten dan van schouderklopjes.’
‘De jaren die volgden waren fantastisch. De binding binnen de ploeg was erg goed, zowel binnen als buiten het veld. Dat werkte door in de prestaties. We haalden de nacompetitie en werden het jaar erna kampioen. Dat kampioenschap was geen toeval. We hadden gewoon een goed elftal. Het seizoen na de promotie wonnen we in de Kuip met 4-0 van Feyenoord. Dat was trouwens de afscheidswedstrijd van Wim Jansen. Het elftal zat gewoon goed in elkaar, met jongens die ervoor wilden gaan. In het seizoen in eredivisie haalden we zeven punten uit de eerste vier wedstrijden, waardoor we meteen koploper waren. Iedereen wist natuurlijk dat dit niet lang zou duren, maar de toon was wel gezet. We werden uiteindelijk zesde.’
Libregts had het naar zijn zin bij Excelsior, ondanks het feit dat het bepaald niet gemakkelijk werken was met de geldzorgen die er altijd waren bij de club. ‘Toch was ik niet jaloers op anders clubs. Het hoorde er gewoon bij en als trainer vraag je dan niet om drie nieuwe spelers. Ook contractspelers vroegen niet meer geld. Natuurlijk waren er weleens kleine dingetjes, spelers die een bus- of tramkaart erbij wilden hebben of een cursus wilden volgen, maar de meeste jongens voelden zich gewoon thuis bij Excelsior. Dat Excelsior-gevoel leefde vroeger heel sterk, ook toen ik zelf nog voetbalde. Je ziet nu nog dat mensen als Henk Schouten, Nol Braams, Rik van Veldhuizen en ikzelf als het even kan elke thuiswedstrijd komen kijken. En zelfs een jongen als Thomas Buffel zie ik nog regelmatig op de tribune zitten.’
Een van de manieren waarop Excelsior toch aan goede spelers kwam, was door een samenwerkingsverband aan te gaan met Feyenoord. Eind jaren zeventig was er al een soort van samenwerking, vertelt Libregts: ‘Van die samenwerking stond destijds niets op papier, maar hij was er wel. Er was altijd al een speciale band geweest tussen beide clubs. Supporters van Feyenoord hebben altijd sympathie gehad voor Excelsior. Als Feyenoord uit speelde kwamen ze bij Excelsior kijken. Het zijn allebei volksclubs met een instelling van ‘niet lullen, maar werken’. Toen ik trainer was, hadden we André Stafleu. Hij kwam naar Excelsior om ervaring op te doen en werd daarna teruggehaald, waarna hij nog jaren in Feyenoord heeft gevoetbald.’
Libregts erkent dat de samenwerking zoals die er tegenwoordig tussen beide clubs is, gewoon nodig is om te overleven. ‘Maar er zitten ook nadelen aan. Bij opleiden hoort fouten maken en geduld hebben. Opleiden en presteren gaan daarom maar deels samen. Je zult dus met zijn tweeën een goede middenweg moeten vinden, waardoor Excelsior en Feyenoord er allebei beter van worden. Feyenoord zou niet alleen jonge spelers hier heen moeten sturen, maar ook eens een meer ervaren speler die jonge gasten bij de hand kan nemen. Want daar ontbrak het vorig jaar aan. En hoe hoger Excelsior speelt, des te aantrekkelijker het is voor spelers van Feyenoord om hier te komen. Dat zag je aan David Connolly. Die vond het geweldig om hier te voetballen, scoorde veel en mocht uiteindelijk terug naar Feyenoord.’
Als trainer van Excelsior kreeg Libregts eind jaren zeventig een aantal aanbiedingen van andere clubs. Pas in 1980 ging hij op zo’n aanbieding in. Het was niet de eerste de beste club waar hij naartoe vertrok: PSV. ‘Daar kreeg ik te maken met een oude generatie spelers die afscheid had genomen, waardoor ik vooral met jonge spelers te maken kreeg. Het waren leerzame jaren. Het was een andere sfeer dan bij Excelsior, een waarbij presteren bovenaan stond. En ik kwam als eigenzinnige Rotterdammer met een recht door zee mentaliteit in het Brabantse terecht. Dat liep af en toe spaak. Later sprak ik nog wel eens spelers uit die tijd, zoals Michel Valke, die zeiden: je had destijds toch gelijk.’
‘Het was voor mij altijd weer bijleren, bij PSV, maar ook later in het buitenland. Nieuwe culturen en gewoonten waarin je de juiste balans moest vinden tussen water bij de wijn doen en je poot stijf houden.’ Na PSV werkte Libregts lange tijd in Griekenland, toen zich plotseling een unieke kans voordeed: ‘Michels wilde in 1987 opstappen als bondscoach na een aanbieding van PSV. Ik had inmiddels in Athene met een delegatie van de KNVB gesproken. Ze vroegen of ik weg kon. Dat kon als ze het contract afkochten van mijn club. Uiteindelijk ging dat hele verhaal echter niet door. In de pers had wel al gestaan dat ik weg wilde, dus in Griekenland was iedereen beledigd.’
‘Na het succesvolle EK in 1988 stapte Michels alsnog op en werd ik bondscoach. De europese titel bleek echter een zware last. Iedereen, waaronder de sterren, dacht dat we ook wel even wereldkampioen zouden worden. We kwalificeerden ons ongeslagen voor het WK. Toen kreeg ik echter te maken met andere krachten. Ik werd aan de kant gezet als bondscoach. Dat was heel vervelend, vooral omdat ik de droom had om met het Nederlands elftal wereldkampioen te worden.’ Libregts werkte in de jaren daarna als trainer in Griekenland, Nigeria en Oostenrijk.
‘In Graz werd ik tweede en won de beker. In de voorbereiding op het nieuwe seizoen wonnen we de supercup en een vriendschappelijke wedstrijd van Real Madrid met 3-2. Vervolgens verloren we één competitiewedstrijd. Het bestuur raakte in paniek en ik stond op straat. Dan hoor je later weer dat ze daar spijt van hadden…’ Hij werkte vaak onder moeilijke omstandigheden en keek rond in verschillende culturen. Het was mooi, maar het is genoeg geweest, zegt Libregts: ‘Mijn trainerscarrière is nu ten einde. Ik heb genoeg aanbiedingen gehad, maar ik heb er geen zin meer in. Ik wil wel iets blijven doen in de voetbalwereld, maar meer adviserend. Op die manier kan ik dan iets van mijn ervaring meegeven.’
Voetbal zal altijd wel door zijn bloed blijven stromen. En naast rood, moet dit bloed haast wel een beetje zwart in zich hebben. Want hoewel hij sinds 1980 voor veel clubs heeft gewerkt. Is Excelsior altijd zijn club gebleven: ‘Excelsior heeft altijd een speciaal plekje gehad. Hier is het toch allemaal begonnen. Ik volg altijd wat er met de club gebeurt en het doet me pijn als het slecht gaat. Hoewel het niet meer zoals vroeger is, voel ik hier nog steeds de geborgenheid, het warme gevoel. Als ik dit allemaal zie’, wijst hij rond in het spelershome, ‘dat was er vroeger allemaal niet. Excelsior zit in mijn bloed, daar schaam ik me niet voor. Ik kom regelmatig kijken, samen met mijn moeder. Zij heeft natuurlijk al die jaren met mijn vader meegemaakt en vindt het nog steeds leuk om hier te komen. Helaas zijn er nog maar weinig mensen uit haar tijd over die er altijd zijn.’
Als de selectiespelers van Excelsior langzaam maar zeker binnen druppelen, lijkt geen van hen die grijze man te herkennen. En dat terwijl hij op veel foto’s in de hal van het stadion te zien is. Er langs lopend haalt hij herinneringen op. Aan wedstrijden, spelers en aan het stadion. Op het veld maken we nog wat foto’s. Thijs Libregts kijkt rond en vertelt dat hij als jongetje vaak samen met anderen klusjes verrichtte voor terreinchef Piet Wijling. ‘Die oude tribune die hier stond in de verf zetten of roest van het hek schuren. Daarna kregen we van hem een hele oude bal, waarmee we een tijdje mochten voetballen op het trainingsveld. Dat was het oude veld, op de plek waar nu het parkeerterrein ligt. Daar lag geen gras, dat was alleen maar klei. In de winter zakte je soms tot je enkels in de modder weg. En dan te bedenken dat het eerste elftal daar ook op trainde…’

Terug naar Helden uit het verleden