1940-1945: Het voetbal ging door

Het voetbal in Nederland ging tijdens de Tweede Wereldoorlog gewoon door. Vanwege de dreigende oorlog besloot de KNVB in het seizoen 1939-1940 wel om te spelen in noodcompetities, waarin Excelsior op de derde plaats eindigde. “En toen trokken in een verbijsterend tempo gebeurtenissen ons voorbij, die wij nog nooit hadden medegemaakt en niet meer mee willen maken”, valt te lezen in het 50-jarige jubileumboek van Excelsior.

Bezetting
Na het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940, werd het complex van Excelsior zeven dagen later bezet door Duitse luchtafweertroepen. Een maand na de bezetting hervatte Excelsior de trainingen op de bijvelden, die niet zonder slag of stoot verliepen. Zo moest de training op 6 augustus worden gestaakt omdat er zwaar luchtafweergeschut achter het veld was geplaatst.

Het duurde tot 17 augustus voor het hoofdveld en de kleedkamers van Excelsior weer zouden vrijkomen waarna de training, ondanks het nog altijd aanwezige luchtafweergeschut, weer op het hoofdveld plaatsvond. De competitie, Excelsior speelde in de Tweede Klasse, begon pas op 6 oktober.

Ook in seizoenen die volgden gingen de voetbalcompetities door, voor Excelsior telkens in de Tweede Klasse. In het jubileumboek valt te lezen dat Excelsior, ondanks het vertrek van verschillende spelers naar Duitsland, flinke stappen maakte: “De goede resultaten (…) gaf de burger moed voor de toekomst”.

Geen voetbal
Alleen in het seizoen 1944-1945 speelde Excelsior, op enkele vriendschappelijke wedstrijden na, niet voor de competitie. Dit zorgde ervoor dat Excelsior weinig leefde. “Het verenigingscontact tussen de beruchte Dolle Dinsdag, 5 September 1944 en de dag der bevrijding, 8 Mei 1945, was bijna geheel verbroken”.

In deze periode waarin niet werd gevoetbald, kwam voor Excelsior het dieptepunt tijdens de oorlog. Jan Bak, één van de belangrijkste personen uit de clubgeschiedenis, werd op 10 november 1944 op 54-jarige leeftijd doodgeschoten tijdens de razzia’s op mannelijke personen van 16 tot 40 jaar. “Zijn naam blijft onafscheidelijk aan de geschiedenis van onze vereniging verbonden!”, zo wordt in het 50-jarig jubileumboek teruggeblikt op het verlies van Bak.

Bewaking van Woudestein
Voorzitter A.H. Kenters schreef na de bevrijding een gedicht, waarin onder meer het volgende te lezen valt:

“We zijn bevrijd – en trots kijken we allen,
Naar Woudestein, want ons terrein is ,,af’’,
Geen plankje hout is ons bezit ontvallen,
Dank zij vriend Appelo en zijn heel trouwe staf.”

Tijdens de hongerwinter 1944-1945 was er namelijk door het gebrek aan gas sprake van houtroof op grote schaal. “Dat onze terreininrichting zo keurig uit de houtstrijd tevoorschijn kwam is wel de grootste verdienste van het erelid Willem Appelo, dat van het bestuur algemene volmacht ontving om maatregelen te treffen Woudestein te behouden en de vereniging hiermede een zeer grote dienst bewees”.

Dat de plunderingen groot waren, bleek wel uit het feit dat vanaf Woudestein de Maas zichtbaar was: “De Oude Plantage was niet meer”. Dat geen plankje hout van Woudestein werd ontnomen, was te danken aan de “bereidwilligheid en offervaardigheid van de leden”. Leden van Excelsior hebben in deze periode dag en nacht “met ware clubliefde aan dit bewakingswerk deelgenomen”.

“We zijn bevrijd – Excelsior laat zich weer gelden,
Zij wil weer worden, wat zij eenmaal was,
Het klinkt weer luid langs onze groene velden,
Vooruit Excelsior! Op naar de eerste klas!!”