Dick van den Polder: ‘Ook als journalist moet je zo nu en dan een schop kunnen uitdelen’

Dick van den Polder (77) heeft een flink deel van zijn leven bij Excelsior doorgebracht. Als jeugdvoetballer, seniorspeler, betaald voetballer, trainer van het tweede en later de pupillen, en als sportjournalist. Ook nu zit hij nog bij elke thuiswedstrijd op de tribune. Hoewel het niveau hem dit seizoen niet altijd meevalt, laat hij zijn humeur er niet meer door verpesten.

Kritisch. Dat durft Dick van den Polder wel te zijn. ‘Dat moet ook als je sportjournalist bent’, vindt hij. Voor zijn werk heeft het daarom nooit een rol gespeeld dat hij zelf als speler en trainer actief was voor Excelsior. ‘Als ik positief schreef zeiden ze wel eens: het is jouw club. En als ik kritisch schreef: zou je niet wat minder negatief zijn? Ik heb altijd geschreven wat ik vond. Zo hoort dat. Ook als journalist moet je zo nu en dan een schop kunnen uitdelen.’
Van den Polder groeide op in Bergpolder. Daar ging hij met zijn vader regelmatig kijken bij RFC of Xerxes en een enkele keer bij Sparta of Neptunus. ‘Feyenoord was te ver op de fiets, maar ik heb wel op 31 maart 1940 mijn eerste interland bijgewoond in de Kuip. Dat was de wedstrijd Nederland – Luxemburg. Historisch, omdat Nederland met 4-5 verloor, maar ook omdat Abe Lenstra zijn debuut als international maakte. Samen met Faas Wilkes was hij altijd mijn idool geweest.’
‘Met Excelsior heb ik later tegen allebei gespeeld. Ik heb nog een foto waarop ik in duel ben met Lenstra. Hij speelde toen bij Enschedese Boys, dat was in de nadagen van zijn carrière. Ik moest hem uitschakelen en wij wonnen met 1-0. Daar was ik uiteraard heel trots op. Tegen Faas Wilkes speelden we hier op Woudestein in de sneeuw. Ook dat was bijzonder, want als jongetje dweepte ik al met hem. Ik weet nog dat ik wel kon janken toen ik hoorde dat hij vertrok naar Italië.’
Het lijkt geen logische keuze om vanuit Bergpolder te kiezen voor Excelsior. Toch meldde Van den Polder zich op elfjarige leeftijd in Kralingen. ‘Vlak bij de Bergpolderstraat had je een landje waar jongens uit de buurt kwamen voetballen. Daar ontmoette ik Arie den Hertog, die ook in die buurt woonde. Mijn vader was toen bestuurslid van NADO/V – die V stond voor Vooruitgang. Arie en ik wilden lid worden en hebben daar één wedstrijd gespeeld. Daarna zei Arie: dit ik niks voor mij. Het niveau was ook te laag, maar mijn vader was daar nu eenmaal bestuurslid. Uiteindelijk hebben we ons toch maar aangemeld bij Excelsior. Jo Bak, de juniorensecretaris, nam ons aan als lid.’

Voetballen
‘Ik begon in C5 en werd meteen kampioen. Dat herhaalde zich in de seizoenen erna met C3 en C2. Het jaar daarna kreeg ik last van een liesblessure. Trainer Rinus Smits zei tegen me: je moet veel suiker eten, dat is goed voor die blessure. Teun Meijer, vader van Feyenoord-verzorger Gerard Meijer en een vriend van mijn vader – kwam één keer in de week met zijn vrouw klaverjassen met mijn ouders. Toen ik hem dat verhaal vertelde, zei hij: niet doen. Kom maar naar mij, dan help ik je van die blessure af. Dat gebeurde ook. Rinus Smits vond het niet leuk dat ik niet naar hem had geluisterd, maar ik kon wel weer voetballen.’
‘In B1 leerde ik Rik van Veldhuizen kennen. Ik had nog met hem op de lagere school gezeten en nu kwam ik hem weer tegen. Het jaar daarna speelden wij samen in het legendarische jeugdteam waarmee we ongeslagen kampioen van Rotterdam werden. Dat klinkt misschien niet bijzonder, maar omdat je toen nog geen landelijke competities had, was het dat wel. We speelden immers tegen Feyenoord, Sparta, Xerxes, Hermes DVS, de grote clubs.’
Hoewel hij naar eigen zeggen geen geweldige voetballer was (‘ik had wel een goed spelzicht en een goede, zuivere pass’) schopte hij het tot het eerste team van Excelsior. ‘Daarin speelden mannen als Arie Vermeer, Lo Dörr, Nol Braams, Wim van Kilsdonk en Kees Verboom. Je moest van goeden huize komen om in het eerste te komen. Ik weet nog dat Lo Dörr een keer tegen me zei: jij komt er wel. Dat gebeurde ook, in 1954. Thuis tegen Juliana mocht ik meedoen in de laatste wedstrijd van het seizoen. Rinus Smits had bedacht dat we allemaal op basketbalschoenen moesten spelen, hij dacht dat dit beter was. Het werd een flop. In de rust hebben weer gewoon onze voetbalschoenen aangetrokken, maar we verloren die wedstrijd met 0-1.’
Het seizoen erna, inmiddels was het betaalde voetbal ingevoerd, werd hij een vaste waarde in het eerste. Uiteindelijk kwam hij tot 199 wedstrijden in het eerste team. ‘Aanvankelijk had ik 197 wedstrijden gespeeld, maar in het seizoen 1963/1964 kwamen er nog twee bij. Excelsior had met blessures te maken en ik werd gevraagd of ik kon meedoen. Ik moest toestemming vragen aan Rien Bal, mijn toenmalige chef bij de krant. Hij had een Excelsior-verleden en ging akkoord. Aad Libregts zei na die twee wedstrijden: die 200e wedstrijd krijg je van ons, die speel je nog wel een keer, maar dat is er nooit meer van gekomen.’

Stadsverslaggever
Tijdens zijn voetbalcarrière werkte Van den Polder al als verslaggever voor Het Rotterdamseh Parool. ‘Vanaf mijn negentiende was ik daar stadsverslaggever en ik heb ook vijf jaar als rechtbankverslaggever gewerkt. Mijn werkzaamheden speelden zich doordeweeks af en het voetballen in het weekend. Toen ik twee keer achter elkaar mijn been brak met voetballen, was dat ook voor mijn werkgever niet leuk. Ging ik met mijn gipsbeen op de scooter naar de rechtbank om verslag te doen van belangrijke rechtszaken. Niet ideaal natuurlijk.’
Aan de andere kant had ik er ook profijt van dat mensen mij kenden van het voetballen. Ik was eens bij een vergadering van de vakbond en daar opende de voorzitter de avond door te zeggen dat hij het leuk vond dat Dick van den Polder, voetballer van Excelsior, ook aanwezig was. Maar het was ook wel eens lastig. Zo moest ik als verslaggever in Vlaardingen ’s avonds vergaderingen bijwonen. Ik moest dan aan trainer Rinus Smits vragen of ik eerder kon trainen, zodat ik daarna op de fiets naar Vlaardingen kon gaan. Het verbaast me nog steeds dat ik dat allemaal volhield. Want na die vergadering ging ik om elf uur op de fiets terug naar de redactie aan de Schiedamse Vest om tot twee uur ’s nachts te werken.
Op een bepaald moment kon hij sportverslaggever worden, maar dan moest hij stoppen met voetballen in het eerste elftal. ‘Sportverslaggever worden, dat was mijn ideaalbeeld. Als ik bij wedstrijden die mannen zag zitten op de perstribune, dan wist ik: dat wil ik ook. Mensen als Ad van Emmenes en Bob Spaak, daar heb ik altijd tegenop gekeken. Ik wilde dat na mijn voetbalcarrière ook, maar op een bepaald moment moest ik dus kiezen. Ik koos voor de journalistiek. Ik heb nog wel in het tweede gespeeld en was trainer, onder meer van het tweede en later van de jeugd. Ik heb ook mijn trainersdiploma’s gehaald, tot aan mij B. Ik kreeg geen toestemming om voor A te gaan, omdat ik al een goede baan had. Dat werd door de vakbond tegengehouden.’

Centrumverdediger
Zijn voetbalcarrière is uiteindelijk beïnvloed door de twee keer dat hij zijn been brak. De eerste keer was op 23 maart 1958 in de uitwedstrijd tegen Vitesse. ‘Mijn been zat dertien weken in het gips en daarna mocht ik weer gaan trainen. Toen ik in september dat jaar mijn rentree maakte in de uitwedstrijd tegen Roda Sport, brak ik meteen weer mijn been. Ik heb daar op het veld bezworen dat ik nooit meer zou voetballen. Eenmaal hersteld ging ik toch weer trainen. Eerst voor mezelf op het achterste veld en later met de groep. Al snel werd ik door Bob Janse weer opgesteld.’
‘Ik heb daarna als speler mijn beste jaren gehad als centrumverdediger, samen met Heimen Lagerwaard. Wij vulden elkaar technisch en tactisch perfect aan.’ In het seizoen 1961-1962 zorgden de slechte resultaten aanvankelijk voor onrust. Na weer een nederlaag, 3-2 tegen HDVS, stapte Dick van den Polder naar trainer Bob Janse. Hij legde het plan voor om zijn jeugdvriend Arie den Hertog terug te halen naar het eerste elftal om het doel te verdedigen: ‘Ik heb een hele avond met Arie zitten praten en die voelde daar wel voor.’
‘Hij hoefde geen geld, maar stelde wel zeven voorwaarden. Zo wilde hij maximaal twee keer trainen, gehaald en gebracht worden, en zijn spullen moesten gewassen worden. Hoewel Bob Janse twijfelde, hebben we de voorwaarden met Henk Zon geregeld. Tegen Scheveningen Holland Sport (SHS) keerde Arie terug in het doel en we wonnen met 4-0. Op een bepaald moment waren we negentien wedstrijden ongeslagen. We wonnen er zestien en speelden drie keer gelijk. We kwamen aan het einde van de competitie drie punten te kort om kampioen Heracles te achterhalen.’
‘Ook als sportjournalist het ik veel bereikt. Ik heb onder meer zes WK’s en zes EK’s meegemaakt. Toen ik begon was ik een jong broekie tussen al die gevestigde namen uit de sportjournalistiek. Bij Feyenoord op de perstribune hadden die mannen allemaal een eigen plek met een naambordje en ik zat daartussen, zonder naambordje. Ik weet dat Henk Zon altijd de kleedkamer in kwam als Ad van Emmenes op de tribune zat. Doe extra je best jongens, zei hij dan. Ik had overigens meer met sportjournalisten die een wat scherpere pen en tong hadden. Zo was ik zelf ook.’

Clublied
Hoewel hij niet meer als journalist werkt, volgt hij Excelsior nog steeds kritisch. Over het Excelsior van nu is hij weinig positief: ‘Roland Alberg is een goede voetballer en Wesley de Ruiter een niet onverdienstelijke keeper, maar verder… Waarom ik toch elke twee weken naar Woudestein kom? Vanwege de bekenden die ik hier steeds tegenkom. Jaap Bontenbal, Arie den hertog, Henk Schouten. Telkens als voor de wedstrijd het clublied wordt gespeeld – dat overigens samen met dat van Sparta het mooiste van Nederland is – en ik zie de mensen aan de overkant gaan staan en meezingen, denk ik: dat duidt erop dat Excelsior toch leeft. En door wat ik daarna te zien krijg, laat ik mijn humeur niet meer bederven.’
‘Ik ga op zaterdag vaak naar de junioren kijken en heb daar al heel wat talent voorbij zien komen. Jongens waarvan ik niet begrijp dat ze nooit het eerste hebben gehaald. Excelsior is een opleidingsclub, maar helaas vooral voor andere clubs. Als ik zondagavond naar Studio Sport zit te kijken, zie ik zo vijftig spelers voorbij komen die hier zijn begonnen. Spelers als Kamohelo Mokotjo en Jordy Clasie zijn bij Excelsior echt beter geworden, maar het is kwalijk dat je die dan een jaar later alweer kwijt bent.’
‘Het is niet eerlijk om van het huidige team wonderen te verwachten. Wat mij wel irriteert is de slapheid bij sommige spelers. Belangrijk voor een ploeg is kwaliteit en een goede instelling. Die instelling komt tot uiting in het fanatisme waarmee je de tegenstander benadert. Dat mis ik helaas te veel. Qua instelling is Leen van Steensel één van de beste spelers van Excelsior, maar bij iemand als Nieveld denk ik vaak: wat loop je nou te doen? En hij heeft toch een paar wedstrijden in Feyenoord 1 gespeeld. Ik denk dat met een andere aanpak meer uit deze selectie te halen moet zijn. Er moet hard gewerkt worden aan de tekortkomingen en de spelers moeten fanatieker worden. Ze gaan nu vaak pas naar voren als ze achter komen.’

Terug naar Helden uit het verleden | Nieuws